Invalide Vlaming met levensdroom geeft criticasters lik op stuk

592

“Wacht niet af. Verdeel een groots plan in kleine stappen en zet de eerste stap nu.” – Gandhi.

Wijze woorden, maar wat als het leven je plotseling maar één been geeft om te stappen, gepaard met een aantal andere fysieke aandoeningen? Is pure wilskracht dan voldoende om je ambitieuze plannen waar te maken of komt er meer bij te kijken?

Dat was de vraag die Raf Bleus (43) uit het Limburgse Wellen zichzelf veertien jaar geleden moest stellen, vlak na zijn ongeluk.

Maar wilskracht, uithoudingsvermogen en zelfdiscipline worden niet op één dag gekweekt. Daarvoor moeten we de klok even 28 jaar terugdraaien.

De middelbare school was dus niets voor jou, Raf?
RAF BLEUS: “Dat stilzitten op de schoolbanken niets voor mij was, merkte ik al snel. Ik snakte naar beweging en avontuur. Aangezien ik als kind al grote fan was van films à la Rambo, besliste ik om mezelf in te schrijven voor de toenmalige Koninklijke School voor Onderofficieren in Zedelgem.”

Was het een zware opleiding?
RAF BLEUS: “Dat kan je wel zeggen. Op zowel academisch, militair, fysiek én persoonlijk vlak werd je tot het uiterste getest.”

Geef eens een voorbeeld?
RAF BLEUS: “Wel, ik moet altijd lachen als ik op tv deelnemers van de Dodentocht in Bornem de finish zie halen en doen alsof het de grootste prestatie ooit is. Wij moesten regelmatig dergelijke tochten van 100 km afleggen en dat met legerbottines aan en met een loodzware rugzak. Het was op zo’n momenten dat je de unieke kameraadschap ontdekt die alleen in het leger te vinden is. Want zonder de steun en aanmoedigingen van mijn kameraden lukte het me nooit zulke tochten uit te wandelen.”

Het was pas na je afstudeermoment dat het echte werk begon?
RAF BLEUS: “Dat klopt. Als blauwhelm mocht ik missies doen in ex-Joegoslavië. Het was een bijzondere ervaring, zowel negatief als positief. Ik kan je zeggen dat je als soldaat een totaal een ander wereldbeeld krijgt. Het is hierdoor dat ik nog steeds op de dag van vandaag besef, dat we hier in België met ons gat in de boter zijn gevallen. Jammer dat de huidige smartphone-generatie dit niet beseft. Ze vinden het blijkbaar normaal dat alles op een gouden dienblaadje wordt gepresenteerd.”

Je moest uiteindelijk het leger verlaten omdat je lichaam het niet meer toeliet?
RAF BLEUS: “Dat was een zeer zware beslissing, maar één die onvermijdelijk was. Het was tijdens die periode dat de Ziekte van Crohn en alsook de ziekte van Bechterew werden vastgesteld bij mij. Ik had dus een darmziekte en een chronische ontsteking van de gewrichten in de wervelkolom, hierdoor moest ik mijn legercarrière abrupt beëindigen.”

Wat heb je daarna gedaan?
RAF BLEUS: “Tja, zonder diploma humaniora was het enorm moeilijk om iets in de privé te gaan doen. Maar ik was nog jong en het kon me eerlijk gezegd niet veel schelen allemaal. Ik fladderde van de ene interimjob naar de andere, meestal bandwerk. Het geld dat ik verdiende, jaagde ik er snel door aan drank, feesten en verkeersboetes betalen. Op dat moment zat ik zonder levensdoel.”

Maar de wijsheid kwam blijkbaar met de jaren?
RAF BLEUS: “Inderdaad, op een gegeven moment besefte ik dat het zo niet meer verder kon. Mijn ouders overtuigden mij om een oud rijenhuis te kopen en volledig te renoveren, als investering in de toekomst. Intussen vond ik ook een vaste job als vrachtwagenchauffeur. Maar bij het verliezen van al die wilde haren, begon er ook een kleine droom of fantasie vorm te krijgen.”

En dat was?
RAF BLEUS: “Wel, dan moeten we even zes generaties teruggaan, tot in 1843. Ik kom namelijk uit een lijn van echte ambachtelijke stroopstokers, een traditie gestart door mijn over-overgrootvader. Deze ambacht werd altijd verdergezet van zoon op zoon. Mijn drie broers en ik hebben nooit thuis iets anders gekend dan appel- of perenstroop op de boterham. Het was mijn opa, Walter Bleus, die tijdens de Tweede Wereldoorlog het ganse dorp en zelfs de geallieerden en de Duitsers voorzag van stroop. Confituur en choco kende men in die tijd nog niet. In die tijd waren er honderden ambachtelijke stroopstokerijen in Limburg, maar zijn stokerij in het kleine gehucht Vrolingen was de enige die uiteindelijk was overgebleven. Ik herinner me als kind dat ik bij mijn opa in zijn grote koperen ketels mocht gaan roeren totdat de stroop klaar was om getapt te worden. Die geur van verse stroop… geweldig!

(Wijlen grootvader Walter Bleus aan één van zijn koperen stookketels)

Mijn vader en nonkel beslisten in de jaren 90 om de stiel over te nemen en de stroop te commercialiseren, zo werd de Stroop van Vrolingen geboren. Tegen het succes van de Luikse siroop konden ze nooit opboksen, maar dat moest ook niet. Het was net door de charme van deze kleine ambachtelijke stokerij dat strooplikkers vanuit heel België afzakten naar Vrolingen voor een pot stroop.

Mijn droom was dus te stoppen als vrachtwagenchauffeur en een eigen stroopstokerij te beginnen. Eentje die wel zou kunnen concurreren met de grote spelers op de markt.”

Een eigen stroopstokerij beginnen klinkt als een ambitieus plan, maar hoe begin je daar in hemelsnaam aan?
RAF BLEUS: “De know-how had ik, want mijn grootvader was zo slim om alle recepten en kooktijden bij te houden in een boekje. Ik zou ook kunnen steunen op mijn vader die me alle kneepjes van het vak zou leren, plus mijn broers Gert, Tom en Kim toonden ook al interesse om mij te steunen. Het enige probleem was de financiën en de locatie.

In 2004 overtuigde Gert me om samen eens te gaan aankloppen bij het gemeentebestuur van Borgloon om ons idee te ‘pitchen’. Deze gemeente kozen we niet zomaar: begin vorige eeuw was Borgloon de bakermat van de stroopfabricatie, waardoor de Lonenaren de bijnaam ’strooplekkers‘ kregen.

Doodnerveus stelden we dus ons idee voor aan toenmalige burgemeester Eric Awouters en hij was meteen laaiend enthousiast.

Het toeval wilde ook dat er pal in het centrum van Borgloon al jarenlang een enorm grote stroopfabriek stond te verkommeren en dat het gemeentebestuur niet wist wat ermee aan te vangen. Op het hoogtepunt in 1959 werkten in deze stroopfabriek van Wynants-Groenendaels 23 voltijdse arbeiders, maar in 1974 gingen de poorten definitief toe. De burgemeester stelde dus voor om met onze kennis van het stroop stoken terug nieuw leven in deze fabriek te blazen.

Maar het noodlot stak daar eventjes een stokje voor?
RAF BLEUS: “Ja, 8 april 2005 is een datum die voor eeuwig in mijn geheugen zal gegrift blijven. Ik moest bij de Renault-vestiging in Parijs een vracht lossen. Het was een vrijdagnamiddag, iedereen was er gehaast want het weekend stond voor de deur.

Een gejaagdheid die je permanent heeft getekend voor het leven?
RAF BLEUS: “Helaas wel, ik was nog een zeil van mijn vrachtwagen aan het losmaken, toen een roekeloze heftruckchauffeur een anderhalf ton zware metalen bak van mijn trekker sleurde. De vracht schoof ineens van de lippen van de hefttruck en viel op mijn rechterbeen.

Vanaf dat moment speelde alles voor mij af als in een film. Ik kon niet geloven wat ik zag, mijn eigen verbrijzelde been… Tot overmaat van ramp trok de nerveuze heftrucker de ijzeren bak weg, in plaats van te tillen en reet zodoende mijn been aan flarden. Ik kan je zeggen: de pijn die ik toen ervoer, wens ik zelfs mijn ergste vijand niet toe.”

Heb je ooit nog iets gehoord van die heftrucker?
RAF BLEUS: “Neen, niets. Zelfs niet nadien een stom kaartje met ‘sorry’ erop. Hij heeft me verminkt voor het leven, helse pijnen bezorgd en was zelfs te laf om zich te excuseren. Maar wie wel naast mijn ziekenhuisbed stond vlak na het ongeval, waren de advocaten van Renault om mij allerlei documenten te laten tekenen.”

Wat voor documenten?
RAF BLEUS: “Geen idee. Op dat moment zat ik het uit te schreeuwen van de pijn, maar gelukkig had ik nog dat tikkeltje gezond verstand om niets te tekenen, want ze wilden wellicht alle verantwoordelijkheid officieel van zich afschuiven.”

Hoe vielen de maanden na het ongeluk mee?
RAF BLEUS: “Een ware hel. Ik lag zes maanden lang in een niet zo betrouwbaar ziekenhuis in de achterbuurt Clichy in Parijs, ver weg van mijn familie en vrienden. Een periode waarin er ontzettend veel rellen en brandstichtingen waren in deze buurt. Op mijn ziekenhuiskamer waren ze zelfs drugs aan het dealen en aan het roken. Een onhygiënisch ziekenhuis zonder regels of autoritaire figuren in de buurt. Mijn portemonnee en papieren werden er ook gestolen tijdens mijn verblijf.

Er waren maar liefst eenentwintig operaties nodig en mijn gehavende been was in tien keer tot net onder de knie geamputeerd. Het leken wel slagers die zeer amateuristisch tewerk gingen.

Het enige waar ik me kon aan optrekken waren de bezoeken van mijn ouders, broers, familie en vrienden die telkens van het verre Limburg moesten afkomen om mij een hart onder de riem te steken. Het ongeluk was ook nog eens gebeurd, de dag voor de trouw van mijn jongere broer Tom. Mijn ouders waren die nacht ervoor naar Parijs getrokken om mij te bezoeken, om ’s ochtends te vertrekken om nog op tijd te zijn voor de trouw.

Nadien vernam dat de sfeer op het feest helemaal verpest was. Dat schuldgevoel kwam er dus ook nog eens bij. ”

Eens terug thuis, zag je het toen nog zitten?
RAF BLEUS: “Laten we zeggen, dat ik het zowel mentaal als fysiek zeer zwaar heb gehad. Omdat de dokters in Clichy een puinhoop van mijn been hadden gemaakt, waren er nadien in Leuven nog eens zes operaties nodig op twee jaar tijd, waardoor de pijn tijdens het wandelen ondraagbaar bleef. Dokters probeerden me aan te moedigen met verhalen van klimmers met een geamputeerd been die er zelfs in slaagden de Mount Everest te beklimmen. Maar de ene amputatie is de andere niet en die van mij maakte het dagdagelijkse leven haast onmogelijk. Ondanks de pijn, zat ik nog steeds met de droom van een eigen stroopfabriek in mijn hoofd.”

Wat was de reactie van je naaste omgeving wanneer je vertelde over je grote droom?
RAF BLEUS: “Wel, de mensen die mij nauw aan het hart liggen, bleven nog steeds geloven in mij. Maar door anderen werd ik weggehoond of stil gesust met het feit dat ik gewoon het rustig aan moest doen en profiteren van de maandelijkse verzekeringspremie. Maar zo ben ik niet, ik ben zoals mijn ouders en hun voorouders, een geboren werker. Dat levensritme is er sinds generaties ingepompt.

Ook door mij bezig te houden aan mijn levensproject, werd ik – al was het telkens voor een paar seconden – afgeleid van de pijn van mijn geamputeerd been.”

Ben je dan meteen stroop gaan stoken in de oude stoomstoomfabriek te Borgloon?
RAF BLEUS: “Eerst wou ik de nodige ervaring in het stroopstoken opdoen. Dus ik, op krukken, en met hulp van de ouders, broers en een paar legervrienden hadden we de kelder in ons ouderlijk huis omgebouwd en begonnen we te stoken met een kleine ketel waarin we probeerden stroop te stoken van rode bessen. We produceerden slechts een 50-tal potjes per dag en deze probeerden we dan te verkopen met zelfgemaakte etiketjes. Zeer amateuristisch als ik er zo op terugkijk, maar we moesten ergens beginnen en het had zo zijn charme.

(2004: Geïmproviseerde stroopstokerij ten huize Bleus)

Na een tijdje zijn we terug gaan praten met het gemeentebestuur van Borgloon. Gelukkig zagen ze het nog steeds zitten dat we onze productie verhuisden naar de oude stoomstroopfabriek.”

Hoe verliep deze samenwerking?
RAF BLEUS: “Zeer goed. Ondanks dat de oude stoomstroopfabriek in Borgloon zeer bouwvallig was, waren we bijna volledig vrij om de voormalige productiehal naar onze smaak in te richten. We maakten wel met de stad duidelijke afspraken. Per kilo geproduceerde stroop zouden we een percentage afdragen als huur voor de gebouwen.  We konden hier en daar enkele grote koperen ketels op de kop tikken. Eentje via een kunstenaar, eentje via een restaurant en nog een derde ketel uit een restaurant. Dankzij mijn broer Tom, die een ingenieursachtergrond had, wisten we al snel enkele oude pompen in de fabriek terug aan de praat te krijgen, waardoor we het gekookte sap uit de ketels naar de drukpers konden pompen.”

Bron: 2004- Het Nieuwsblad

Het heropstarten van de stroopindustrie in Borgloon na zovelen jaren ging niet onopgemerkt voorbij?
RAF BLEUS: “Inderdaad, we kregen de nodige media-aandacht. Maar de echte hype moest nog komen: namelijk die van de Monumentenwedstrijd van Canvas in 2007. Een wedstrijd waar het publiek besliste welk Vlaams onroerend erfgoed 500.000 euro kreeg voor restauratie en herbestemming.”

Aan wat hadden jullie de overwinning te danken? De Cinema Plaza in Duffel en de Boekentoren in Gent waren toch geduchte tegenstanders?
RAF BLEUS: “Volgens mij speelde het Limburggevoel een zeer belangrijke rol. De aaneenschakeling van kleine dorpen waar men elkaar nog kent en waardeert, werkt dat samenhorigheidsgevoel in de hand.” 

Hoe verliep deze campagne?
RAF BLEUS: “Borgloon en de peter van het project, Stijn Meuris, hebben toen echt bergen verzet om stemmen binnen te rijven. Via grappige campagnefilmpjes en ook door bekende Limburgers te laten poseren met een zogezegde ‘stroopsnor’. En als je bekende tv-chefs op tv hoort zeggen dat mijn stroop heel lekker is, geeft dat een enorme voldoening.”

(Stijn Meuris tijdens de campagne voor de Monumentenwedstrijd)

Wat ging er door je heen op het moment van dat jouw verwezenlijking werd uitgeroepen tot winnaar?
RAF BLEUS: “Het was een beetje surrealistisch. Daar stond ik dan, tussen al die bekende mensen en hoge pieten. Je ziet zelfs nog tijdens de bekendmaking van de winnaar dat ik nog steeds op krukken rondliep. Ik wou dat ik dat moment de gezichten kon zien van al de mensen die me destijds bestempeld hadden als een invalide persoon met onrealistische dromen, want deze personen waren er helaas ook.”

En opeens kende iedereen de Loonse Stroop?
RAF BLEUS: “Ja daar stond mijn smoel dan te prijken op elke voorpagina van de Vlaamse kranten. Opeens wou iedereen onze stroop. We kregen zelfs telefoontjes uit Canada, Zuid-Afrika, Australië… en elke winkel gespecialiseerd in streekproducten stond opeens aan onze deur te kloppen om zo snel mogelijk onze stroop in hun rekken te hebben.”

Laten we de klok 12 jaar vooruit spoelen naar vandaag. Er is ondertussen veel veranderd?
RAF BLEUS: “Zeg dat wel, de Stoomstroopfabriek in Borgloon is volledig gerestaureerd en is een soort fruitbelevingscentrum geworden voor toeristen. Ik ben ondertussen trotse eigenaar van mijn eigen stroopfabriek in de naastliggende gemeente Wellen. Een gloednieuwe hal die ik qua infrastructuur volledig heb kunnen inrichten naar mijn smaak en waar alles meer geautomatiseerd zal verlopen om zo min mogelijk mijn been te belasten, want het blijft tenslotte zwaar ambachtelijk werk.”

Maar de stroop smaakt nog altijd hetzelfde?
RAF BLEUS: “Ja, met het enige verschil dat we nu aan maar liefst 17 verschillende smaken en nevenproducten zitten. Gaande van rode bietenstroop, barbecuesaus met appelstroop tot zelfs stroopsnoepjes. Dit nog steeds onder de naam ‘Loonse Stroop’, maar we verwerken ondertussen ook fruit van vele andere bedrijven die dan op hun beurt de stroop verkopen onder hun label. Het etiket is ondertussen ook veranderd en er staat nu een echt Bleuske op te pronken, met name mijn nichtje Larissa Bleus.

De opvolging is dan al verzekerd?
RAF BLEUS: “Dat weet ik nog niet. Ikzelf ben kinderloos, maar mijn broers hebben samen vier kinderen. Hopelijk nemen zij ooit de fakkel over en willen ze zo de zevende generatie stroopstokers worden. Maar het zal hard werken worden, dat kan ik ze nu al garanderen. Ik zou het jammer vinden mocht mijn droom in handen vallen van vreemden zonder enige passie voor het stoken, maar die enkel uit zijn op winst. ”

Tot slot: nog een paar laatste wijze woorden voor startende ondernemers?
RAF BLEUS: “Wel, een eigen bedrijf oprichten in dit landje is niet gemakkelijk. Al die regelnichten in Brussel maken het er elke dag echt niet gemakkelijker op. Ik ben altijd zeer zuinig met clichés rond te strooien als ‘je kan alles, zolang je er maar in gelooft’. Geloven is niet genoeg, je moet ook doen. Ik heb bereikt wat ik wilde door bloed, zweet en tranen. Letterlijk. Regelmatig heb ik nood aan een nieuwe prothese omdat ik ze telkens kapotwandel door kilometers af te leggen met zware fruitkisten en emmers vol stroop in mijn handen. Maar ik zou niet anders meer willen. Niets doen betekent voor mij wegkwijnen.

Kortom: als je echt iets wil bereiken in het leven, moet je er niet 99,9% maar de volle 100% voor gaan. Al is het hinkend op één been.

REACTIES